Kredietrisicobeheer

Kredietrisico (standen primo 2018)

Gegarandeerd/ verstrekt bedrag

Kredietrisico

Borgstellingen door waarborgfondsen

10.690.731

pm

Garanties t.b.v. volkshuisvesting particulieren

47.232

1.322

Garanties t.b.v. rechtspersonen

127.047

37.336

Verstrekte leningen

444.482

10.726

Totaal

11.309.492

49.384

Bij het verstrekken van leningen en het verlenen van garanties loopt de gemeente het risico dat de betrokken partijen niet aan hun financiële verplichtingen richting de gemeente kunnen voldoen. Daarom neemt de gemeente risicobeperkende maatregelen en voert een actief risicobeheer. De gemeente berekent de risico’s op wanbetaling van de betreffende geldnemers. Dit wordt het kredietrisico genoemd. In 2012 is de kredietrisicoreserve ingesteld om deze risico’s te kunnen afdekken. Bij leningverstrekking of garantieverlening dient eenmalig een bedrag te worden gestort voor de dekking van de risico’s. Daarnaast dient een door de geldnemer betaalde renteopslag of garantiepremie als voeding voor de kredietrisicoreserve.
Het kredietrisico voor de achtervangpositie in de waarborgfondsen WEW en WSW kan op dit moment nog niet berekend worden en wordt daarom op PM gesteld. De VNG ontwikkelt, in overleg met de Commissie BBV, een methodiek om het kredietrisico van de achtervangpositie voor gemeenten te kunnen berekenen. Voor garanties aan particulieren baseert de gemeente zich bij het berekenen van het kredietrisico op de richtlijnen die gelden voor banken. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat het Rijk de helft van eventuele verliezen op de afgegeven hypotheekgaranties afdekt. Met behulp van een kredietrisicomodel zijn de bedragen berekend die minimaal zouden moeten worden gereserveerd om de risico’s van de leningverstrekking en de garantieverlening voor rechtspersonen te kunnen opvangen. De kredietrisicoreserve (€ 67,7 mln primo 2018) is in ieder geval toereikend om de hier berekende kredietrisico’s te kunnen dekken. Pas als er ook een goede inschatting kan worden gemaakt van de risico’s die samenhangen met de achtervang in de waarborgfondsen, kan worden vastgesteld of de kredietrisicoreserve toereikend is.