Financiering

De Wet Financiering decentrale overheden (Wet Fido) geeft de wettelijke kaders voor de treasuryfunctie van decentrale overheden. Een belangrijk uitgangspunt van de wet is dat een gemeente voorzichtig moet omgaan met publieke middelen. Dit uit zich onder andere in de beheersing van renterisico’s. Hierbij gelden als wettelijke normen de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. Het kan voorkomen dat de gemeente in een bepaalde periode overtollig geld heeft. Als ze dat geld niet uitleent aan medeoverheden en als dat geld meer is dan een zeker drempelbedrag, dan moet de gemeente dat aanhouden in ‘s Rijks schatkist. Dit wordt ‘verplicht schatkistbankieren’ genoemd (zie paragraaf 4.8.4.2). Ook stelt de Wet Fido strenge eisen aan de kredietwaardigheid van tegenpartijen en de te gebruiken instrumenten. Artikel 212 van de Gemeentewet verplicht de gemeente de gemeentelijke regelgeving voor de financieringsfunctie vast te leggen. Dit heeft de gemeente gedaan in de Verordening financiën 2013, die verder is uitgewerkt in het Treasurystatuut.

In het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) is de toerekening van rente een belangrijk aandachtspunt. De commissie BBV heeft hierbij bepalingen en richtlijnen opgesteld voor de berekening van de bespaarde rente, de omslagrente die wordt toegerekend aan de investeringen en de omslagrente die wordt toegerekend aan de bouwgronden in exploitatie (BIE). Daarnaast bestaan er regels voor het toerekenen van rente aan de pensioenvoorzieningen bestuurders en gebieden. Deze moeten tegen netto contante waarde worden gewaardeerd.

Op grond van de bovenstaande bepalingen en richtlijnen worden voor 2018 en verder de volgende rentepercentages onderscheiden:

  • Omslagrente BIE: 1,7%;
  • Omslagrente investeringen: 2,5%;
  • Bespaarde rente: 2,5%;
  • Rentetoerekening pensioenvoorzieningen bestuurders en gebieden: 0,864%.